essay 1: De Verlichting

© Ton Munnich. Bestemd voor particulier gebruik.
Professioneel gebruik na overleg met de auteur.

 

Wetenschapsgeschiedenis

Wanneer een gebeurtenis voltooid is, zinkt ze weg in de geschiedenis. Er vinden aan de lopende band gebeurtenissen plaats, het resultaat is een veelheid aan geschiedenis. Om orde te scheppen in die oneindig verstrengelde ketens van oorzaken en gevolgen splitsen historici hun vak in specialismen. Economische geschiedenis, agrarische geschiedenis, krijgsgeschiedenis, maritieme geschiedenis. Rond 1900 zijn er eerste publicaties in wetenschapsgeschiedenis. Even later treedt George Sarton op de voorgrond, hij geldt als de grondlegger van de moderne wetenschapsgeschiedenis.

George Sarton (1884-1956) verlaat België tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vanaf 1920 is hij docent wetenschapsgeschiedenis te Harvard, in 1940 wordt hij er hoogleraar. Hij verwerft gezag, na zijn dood worden de ‘Sarton Chair’ en de ‘Sarton Medal’ ingesteld. In zijn boek The Life of Science (1948) geeft hij zijn visie op het vak. Hij stelt wetenschapsgeschiedenis tegenover kunstgeschiedenis. Wetenschapsgeschiedenis is één hoge berg, kunstgeschiedenis een verzameling afzonderlijke heuveltjes. Wat bedoelt hij? Wetenschappers bouwen op elkaar voort, elk staat op de schouders van zijn voorgangers. Het is een cumulatief proces, alsof men een trap oploopt of een berg beklimt. In de kunstgeschiedenis is dat anders. Die is niet cumulatief, een kunstenaar streeft juist naar originaliteit, elke kunstenaar is een apart heuveltje. De Nederlandse literator Willem Kloos zei het zo: “kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie”. Men kan dit verschil tussen wetenschap en kunst ook als volgt uitdrukken. Zodra in de wetenschap een inzicht overvleugeld is door een nieuw inzicht met meer verklarende kracht, is het oude inzicht achterhaald en verouderd. Zo bereikt de wetenschap in de loop der eeuwen een steeds hoger niveau. In de kunst daarentegen is er nooit iets achterhaald of verouderd. Al is een kunstwerk duizend jaar oud, het behoudt zijn eeuwige schoonheid. Het is immers niet zo dat de kunst in de loop der eeuwen steeds mooier wordt. Sarton: “The making of knowledge, unlike that of beauty, is essentially a cumulative process” 1).

De grote Nederlandse wetenschapshistoricus Eduard J. Dijksterhuis is het eens met collega Sarton. Cumulatief, dat is het sleutelwoord. Biografen van wetenschappers moeten beseffen dat hun hoofdpersoon onderdeel is van een cumulatief proces, eigenlijk is het proces de hoofdpersoon. Dijksterhuis: “In zijn boek The Life of Science schetst George Sarton overtuigend dat de ontwikkeling van de wetenschap, in tegenstelling tot die van de kunst, cumulatief en progressief is. Elke wetenschapper is opgeleid in de actuele kennis van zijn tijd. Steunend op die verworven kennis probeert hij zelf iets eraan toe te voegen. Men kan dus persoonlijke prestaties niet losmaken van de wetenschappelijke ontwikkeling als geheel. Eigenlijk kan men geen wetenschappelijke biografie van een afzonderlijke wetenschapper schrijven, men moet de geschiedenis beschrijven van de wetenschappelijke disciplines waarin hij werkzaam was” 2). Daarom vinden Sarton en Dijksterhuis dat de wetenschapshistoricus meer moet kijken naar ontwikkelingen dan naar individuele wetenschappers. Lange ontwikkelingslijnen geven het correcte beeld, met individuele wetenschappers als punten op de lijn. Sarton trekt lijnen van vele eeuwen in de natuurwetenschap van de klassieke Oudheid en Middeleeuwen. Dijksterhuis volgt dezelfde methode, zijn hoofdwerk De mechanisering van het wereldbeeld (1950) beschrijft de mechanica van Pythagoras tot Newton, een lijn van twintig eeuwen.

In die langdurige ontwikkelingen ziet Sarton iets veranderen rond het jaar 1600. Dan begint er in intellectueel opzicht een nieuwe tijd. Het jaartal is wat willekeurig gekozen, het had 1616 of 1632 kunnen zijn vanwege gebeurtenissen in die jaren. Maar 1600 is een rond getal, dat is gemakkelijker, aldus Sarton. Daar ongeveer eindigt de Renaissance en begint een nieuwe periode. De Renaissance was in menig opzicht nog middeleeuws, Sarton definieert de Renaissance als Middeleeuwen-plus-boekdrukkunst. Bovendien is de Renaissance een periode die terugkijkt naar de klassieke Oudheid. De letters ‘re-‘ in Renaissance tonen dat het een retro-tijdperk is, met de blik op het verleden, niet op de toekomst. Dat cluster van Middeleeuwen en Renaissance loopt rond 1600 ten einde. Dan ontstaat er een nieuwe denkstijl: de moderne natuurwetenschap. Middeleeuwen en Renaissance vertrouwden oude antwoorden, de moderne natuurwetenschap zoekt nieuwe antwoorden 3).

Vier eeuwen Verlichting

De feodale middeleeuwse samenleving bestond uit drie standen: adel, geestelijkheid, derde stand. De geestelijkheid was de denktank. Wie in de Middeleeuwen vragen had over de aard van de kosmos of de herkomst van het leven kon zich wenden tot de geestelijkheid. Zij gaf de antwoorden op basis van de Bijbel. In de eeuw van 1500 tot 1600 is dit nog steeds zo. In die eeuw ontstaat er wel discussie maar die blijft intern-christelijk, het is de eeuw van de Reformatie. De protestanten die zich afscheiden van Rome blijven trouw aan de Bijbel en aan God, dikwijls in strengere vorm dan de roomsen.

Vanaf 1600 verandert dat. Dan ontstaat er een nieuw intellectueel proces: de Verlichting. Zij degradeert de intern-christelijke richtingenstrijd tot een discussie van lagere actualiteit. De Verlichting botst met elk christendom, of het nu katholiek, protestants of anglicaans is. Het verwijt dat steevast kleeft aan Verlichtingsdenkers is het verwijt van atheïsme. Zij willen niet langer de duizendjarige antwoorden geloven, geloof is geen bewijs. Ze willen zelf nadenken en onderzoeken, ze gaan redeneren en experimenteren. En de nieuwe antwoorden wijken af van de oude theologische antwoorden. De Verlichting is het proces waarin het openbare bewustzijn geleidelijk afscheid neemt van het christelijke wereldbeeld. Geleidelijk afscheid neemt van God, schepping, hemel. Geleidelijk afscheid neemt van wonderen, engelen, heiligen. Omdat er overtuigender verklaringen komen, de verklaringen van de moderne natuurwetenschap. Het zijn twee verschillende denkramen. Terreinwinst voor het nieuwe denkraam betekent terreinverlies voor het oude.

Doordat het christendom alle sectoren van de samenleving beïnvloedt, raakt ook de Verlichting alle sectoren van de samenleving. Het feodale koningschap bijvoorbeeld is een koningschap bij de gratie Gods, gesanctioneerd door de kerk. Een koning aanvaardt zijn ambt middels een ceremonie waarin een kerkelijk hoogwaardigheidsbekleder hem zalft of kroont. Wanneer de Verlichting het christendom doet wankelen, wankelt ook het feodale koningschap. Het is dan ook niet verwonderlijk dat kerk en dynastie veelal gezamenlijk optrekken tegen de Verlichting. Ze verbieden boeken, beschuldigen auteurs van atheïsme en zetten hen gevangen. Om dat te ontlopen publiceren Verlichtingsdenkers dikwijls anoniem. Door deze verstrengelingen kan de Verlichting politieke gevolgen hebben en revoluties veroorzaken. Maar in essentie is ze het intellectuele vernieuwingsproces.

De Verlichting is een Europees proces, al bruist het op de ene plek meer dan op de andere. In de vier eeuwen Verlichting ligt het zwaartepunt telkens in een ander land. In de 17e eeuw ligt het in Nederland, in de 18e eeuw in Frankrijk, in de 19e eeuw in Duitsland, in de 20e eeuw in Engeland en Amerika. Natuurlijk is dit geen streng sluitend schema, het blijft een algemeen-Europees proces.

Verlichting in de 17e eeuw: Nederland

In de 17e eeuw ligt het zwaartepunt van de Verlichting in Nederland. Nederland bevrijdt zich van het feodale en katholieke Spanje. Het tolereert iets meer vrijheid van denken dan de omringende landen. Het stukje denkvrijheid wordt intensief benut, men probeert er de wereld opnieuw te begrijpen. De eerste stap daartoe is de wereld opnieuw te bekijken. Het kijk-instrument is het symbool van de Verlichting in het 17e eeuwse Nederland. Dit kijk-instrument is de telescoop, de microscoop, de geslepen lens. De Nederlandse optica staat in de 17e eeuw op eenzame hoogte, met telescopen van Lippershey en Metius, microscopen van Drebbel en Leeuwenhoek, de lichtbrekingswet van Snellius en Descartes. Het is geen toeval dat Nederland in de 17e eeuw zowel het centrum van de Verlichting als het centrum van de optica is, de optica is de wetenschap van licht. De geslepen lens biedt de nieuwe kijk op de natuur.

Lenzenslijper Spinoza is de Nederlandse Verlichtingsdenker die tegenwoordig veel aandacht krijgt, vooral dankzij de Britse historicus Jonathan Israel. Diens succesvolle boek Radical Enlightenment (2001) heeft als centrale stelling: “Spinoza and Spinozism were in fact the intellectual backbone of the European Radical Enlightenment” 4). Die claim gaat te ver, maar tot de hoofdrolspelers behoort Spinoza zeker.

Ook buitenlanders dragen bij aan Nederland’s positie als centrum van de Verlichting in de 17e eeuw. Talentvolle Europeanen die in hun eigen land onvoldoende denkruimte bespeuren, vestigen zich in Nederland. De bekendste is de Fransman René Descartes. Zijn twintig productieve jaren, 1628-1649, woont hij in Nederland. Hier schrijft hij onder meer de eerste handleiding voor de moderne wetenschapper, de Discours de la Méthode (1637). En hij combineert zijn Verlichtingsfilosofie met belangstelling voor optica. Descartes is expert op het gebied van lenzen en lichtbreking, zijn belangrijkste manuscript noemt hij De Wereld, of Verhandeling over het Licht.

Personen die niet fysiek in Nederland gaan wonen, laten er tenminste hun boeken drukken of zijn op andere wijze verbonden aan Nederland. Zo vindt de telescoop, bedacht in 1608 in Nederland, zijn weg naar de Italiaan Galileï. Met een zelfgebouwde versie van de Nederlandse uitvinding doet Galileï de waarnemingen die hem beroemd maken. In zijn vaderland Italië leidt dat tot veroordeling, huisarrest, publicatieverbod. Daarom verschijnt zijn laatste boek in Nederland, in Leiden. Bovendien willen de Nederlandse Staten Generaal zijn uitvinding voor tijdmeting-per-telescoop kopen. Als geschenk sturen ze hem alvast een dure gouden ketting. De Italiaanse Inquisitie merkt het en de koop gaat niet door. Zelfs de gouden ketting durft hij niet aan te nemen. De repressie van Galileï’s denkbeelden door de kerk wordt aardig getypeerd door het feit dat twee vooraanstaande Italiaanse filosofie-professors weigeren door zijn telescoop te kijken. Ze stellen dat hun oude, kerkelijk goedgekeurde kosmologie correct is, en dat de telescoop verwarring zaait. Galileï is intellectueel meer verbonden met Nederland dan met Italië. Zijn telescoop komt uit Nederland, de waardering komt uit Nederland en zijn Discorsi-boek verschijnt in Nederland.

Eind 17e eeuw wordt ruim de helft van de wereldproductie van boeken in Nederland gepubliceerd, een graadmeter dat het hier meer bruist dan elders. De moderne wetenschapshistorici zijn het erover eens dat Nederland in de 17e eeuw het centrum van Verlichtingsactiviteit is.

René Descartes

Nederland is het toneel, Descartes is de hoofdrolspeler. Zijn tegenspeler is Gijsbert Voetius, dominee, hoogleraar theologie en sinds 1641 rector van de Utrechtse universiteit. Voetius verdenkt Descartes van atheïsme. Het conflict is bitter en sleept tien jaar, 1639-‘49 5). Het leidt tot juridische procedures in Utrecht en Groningen, tot hatelijke brieven en pamfletten, tot ruzies op de Nederlandse universiteiten, tot bemoeienis van vooraanstaande personen, inclusief stadhouder Frederik Hendrik. Uiteindelijk verbiedt de overheid de verspreiding van Descartes’ ideeën. Niet omdat ze die afkeurt, maar omdat ze de verhitte twisten wil stoppen. Het verbod heeft weinig effect, het cartesianisme verspreidt zich. Descartes’ boek Principia Philosophiae (1644) is vanaf 1650 het meest geliefde handboek op de Nederlandse universiteiten 6). Het Vaticaan wordt ongerust, het zet zijn werk op de Index van verboden boeken (1663). Ook dat is vergeefs, het cartesianisme verspreidt zich over Europa. Eind 17e eeuw is het de belangrijkste zienswijze onder Europese intellectuelen. Wat is de cartesiaanse zienswijze?

Meer dan duizend jaar heeft de theologenkaste verteld hoe de wereld in elkaar zit. De bevolking werd geacht dat te geloven. Twijfel werd niet op prijs gesteld, twijfel is het tegendeel van geloof. Begin 17e eeuw vertoont dat wereldbeeld echter zoveel barsten dat het steeds moeilijker wordt om het op basis van autoriteit te geloven. Het wachten is op iemand die dat uitspreekt. Dat doet Descartes. Met een mokerslag vernietigt hij de oude situatie waarin geloof wordt verlangd en twijfel taboe is. Hij draait het om, hij verheft de twijfel tot de gewenste levenshouding. Hij heeft een eenvoudige redenatie erbij: twijfelen is een denkactiviteit, dus wie aan alles twijfelt hoeft aan één ding niet te twijfelen: ik denk. Het brengt hem tot zijn beroemde stelling “cogito ergo sum”, ik denk dus ik ben. Dat is de eerste dreun van Descartes: hij vervangt geloven door denken, hij vervangt credo door cogito. Zelfstandig denken is de sleutel tot nieuwe, meer realistische inzichten omtrent het heelal. Dan volgt zijn tweede dreun.

De theologen zijn in de 17e eeuw een machtige kaste met invloed, contacten en geld. De nuchtere Descartes beseft dat hij de formidabele duizendkoppige tegenstander niet zomaar kan vloeren. Hij zal moeten manoeuvreren en onderhandelen om het maximaal haalbare te bereiken. Hij manoeuvreert als volgt. Hij verdeelt de realiteit in twee sferen, de ‘res cogitans’ en de ‘res extensa’. De res cogitans is de sfeer van geest, ziel, fantasie, al die ongrijpbare, immateriële, etherische zaken. De res extensa is de wereld die uitgebreidheid, extensie, heeft. Dit is de meetbare driedimensionale wereld van lengte, breedte, hoogte, de wereld van de tastbare materie. Kortom, de res extensa is eenvoudig het heelal, met de daarin aanwezige materie, inclusief het menselijke lichaam. De verdeling in res cogitans en res extensa is vergelijkbaar met de latere verdeling in ‘Geisteswissenschaft’ en ‘Naturwissenschaft’. Na deze verdeling in twee sferen zegt Descartes het volgende. De immateriële res cogitans is de wereld van het goddelijke, die blijft het domein van de theologen. Maar de res extensa moet worden opengesteld voor natuurwetenschappelijk onderzoek, zonder kerkelijke dreigementen, verboden of excommunicaties. Zijn opzet slaagt, een maximale winst, meer is niet haalbaar in de nog diep-christelijke 17e eeuw.

Later klinkt weleens met terugwerkende kracht het verwijt aan Descartes dat zijn verdeling in twee sferen niet deugt, omdat lichaam en geest bij elkaar horen 7). Het verwijt snijdt geen hout. Descartes beseft dat lichaam en geest “een eenheid vormen” 8), maar in de 17e eeuw kan hij niet alles tegelijk ontnemen aan het christendom. Door zijn verdeling van de wereld in twee sferen kan hij, in onderhandeling met de theologen, één sfeer seculariseren. Sindsdien kan in de res extensa natuurwetenschappelijk onderzoek plaatsvinden zonder veel theologische obstakels. Pas twee eeuwen later is de tijd rijp om ook de res cogitans te ontnemen aan de theologen en te onderwerpen aan seculier wetenschappelijk onderzoek. Dan ontstaan vakken zoals psychologie, psychiatrie, culturele antropologie en godsdienstwetenschap.

Laten we de res extensa verder gewoon het heelal noemen. Het ontstaan ervan ziet Descartes als volgt: God heeft het heelal geschapen en het een zetje gegeven zodat het in beweging kwam. Daarna bemoeit God zich niet meer ermee. God is na zijn scheppingsdaad een “ingenieur-in-ruste” 9), het heelal is overgeleverd aan zichzelf. Dat is nieuw. De theologen hadden altijd onderwezen dat God ook na zijn scheppingsdaad actief blijft in het heelal, ja dat hij dagelijks de gebeurtenissen manipuleert. Sinds Descartes is dat afgelopen, hij schuift God weg uit het heelal. De gebeurtenissen in het heelal kunnen niet meer verklaard worden door te wijzen naar God, maar uitsluitend door natuurwetenschappelijk onderzoek naar de wetmatigheden en eigenschappen van het heelal. Zo balanceert Descartes: enerzijds een respectvolle buiging naar God als schepper-in-den-beginne, anderzijds verwijdert hij God uit het heelal.

Het cartesianisme verwijdert behalve God ook alle andere geesten uit het heelal. Occultisme, magie, hekserij, voortekenen, demonen, waarzeggerij, al deze hocuspocus vormt de categorie bijgeloof 10). Een voorbeeld. Er is een bijgeloof dat men spelden steekt in een poppetje, waardoor kilometers verderop iemand stekende pijnen voelt. Dit soort kracht-op-afstand, in het Latijn ‘actio-in-distans’, is in de cartesiaanse visie onmogelijk. Het geloof dat duivels, beschermengelen of boze geesten vanuit hun verre verblijfplaats middels toverkracht gebeurtenissen in de res extensa veroorzaken, is een geloof in actio-in-distans. De cartesianen, met name Balthasar Bekker, wijzen dat af, ze geloven niet in De Betoverde Weereld. Descartes onttovert de wereld, hij presenteert het seculiere heelal.

Maar wanneer de gebeurtenissen in het heelal niet worden veroorzaakt door actio-in-distans, waardoor dan wel? Descartes doet een poging, een 17e eeuwse poging die nu verouderd is. Hij stelt dat het heelal volledig is gevuld met materie. Leegte bestaat niet, vacuüm bestaat niet. Waar het heelal leeg lijkt zit ook materie, maar in fijnste maling. Beweging is het drukken of stoten van deeltje tegen deeltje. De gebeurtenissen in het heelal zijn een kwestie van mechanica, van botsingen of reeksen botsingen, zoals de onderdelen van een machine elkaar door druk of stoot in beweging brengen. Dat is het tegenovergestelde van actio-in-distans, die immers claimt lege tussenruimte te kunnen overbruggen. Er bestaat geen lege tussenruimte en geen actio-in-distans. Een modern commentator zegt het zo: “Descartes hield vol dat alle schijnbare gevallen van actio-in-distans, inclusief magnetisme, verklaard moeten worden door contact van deeltje-op-deeltje” 11).

Al snel na Descartes heeft de fysica betere verklaringen, het is een vak met voortschrijdend inzicht. De eeuwigheidswaarde van Descartes schuilt niet in zijn concrete fysica-bijdragen maar in het feit dat hij bovennatuurlijke verklaringen verwijdert uit het heelal. Hij ontneemt het heelal aan de theologen en geeft het in handen van de natuurwetenschap. De vervanging van theologie door natuurwetenschap, dat is bij Descartes de vervanging van actio-in-distans door mechanica.

Nederland is in de 17e eeuw het brandpunt van intellectuele activiteit, er gebeurt van alles op het gebied van Verlichting. Het belangrijkst is de meesterzet van Descartes. Hij verdeelt de wereld in twee sferen, zodat hij er één kan ontdoen van theologie. Dat maakt hem tot de schepper van het seculiere heelal en de grondlegger van de moderne natuurwetenschap. Omdat zijn tijdgenoten nog niet goed weten hoe men natuurwetenschap moet bedrijven, doet hij een handleiding erbij, het boekje Discours de la Méthode (1637). Hierin bepleit hij een onderzoekende houding (de principiële twijfel) en het gebruik van het eigen verstand (cogito ergo sum). Zijn werk heeft latere denkers geïnspireerd. Spinoza, Newton, Lamettrie, hoewel onderling zeer verschillend, hebben één ding gemeen: voor alledrie is Descartes het uitgangspunt. Zijn werk is de basis waarop ze zich afzetten om elk hun eigen sprong te maken.

Wetenschapshistorici beseffen de dominante rol van Descartes. E.T. Whittaker schrijft: “De grootsheid van Descartes’ plan en de doortastende realisering ervan stimuleerden het wetenschappelijke denken als nooit tevoren. En de ruïnes van zijn theorie blijven het voornaamste fundament waarop latere filosofen de theorieën bouwden die tot heden houdbaar zijn gebleken” 12). Bondiger is Bertrand Russell in zijn filosofie-bestseller: “Descartes wordt gewoonlijk beschouwd als de grondlegger van de moderne filosofie, en naar ik meen terecht” 13). Het zwaarst weegt wellicht het oordeel van de wetenschapshistorische autoriteit Dijksterhuis. Volgens hem heeft Descartes “een invloed op het denken in het algemeen en het natuurwetenschappelijke in het bijzonder uitgeoefend die in omvang, diepte en duurzaamheid wellicht door niemand ooit is geëvenaard” 14).

Verlichting in de 18e eeuw: Frankrijk

In de 18e eeuw schuift het zwaartepunt van Verlichtingsactiviteit van Nederland naar Frankrijk. Daar ontstaat een kleurrijke club vrijdenkers. Lamettrie, Voltaire, Maupertuis, Helvétius, d’Holbach, Diderot, d’Alembert, Cabanis, Rousseau, Montesquieu en anderen. Ze worden ‘les philosophes’ genoemd, wijsgeren, weetgierigen, begerig naar kennis. Dat is in het 18e eeuwse Frankrijk een dissidente attitude, men kan de naam les philosophes misschien het best vertalen als ‘de dissidenten’. In lijn met Descartes vervangen zij credo door cogito. Weg met het kerkelijke wereldbeeld dat het openbare bewustzijn verstikt, ze willen een modern natuurwetenschappelijk wereldbeeld. Het sleutelwoord is natuur. ‘Histoire Naturelle’ in plaats van scheppingsverhalen. ‘Loi Naturelle’ in plaats van kerkelijk recht. ‘Politique Naturelle’ in plaats van goddelijk koningschap. Een Système de la Nature in plaats van een goddelijk systeem 15). Ze bestuderen de natuur, ze meten, rekenen, experimenteren.

De optica levert telescopen en microscopen die het heelal steeds gedetailleerder in beeld brengen. Maar de philosophes beseffen dat lenzen niet het belangrijkste kijk-instrument zijn. Lenzen, inclusief het menselijke oog, zijn slechts de geleiders van het licht. Het is de geest die de informatie uit het licht verwerkt. Het is de geest die ziet en begrijpt en interpreteert. De philosophes beseffen dat de geest hun belangrijkste instrument is. Het Franse woord voor geest is ‘esprit’. De philosophes genieten van hun esprit. Het boek van Helvétius heet De l’Esprit (1759), het boek van Montesquieu heet L’Esprit des lois (1748). Hun zelfbewustzijn berust op het cartesiaanse cogito-ergo-sum. Ze typeren hun 18e eeuw als de ‘Siècle des Lumières’, waarmee ze niet bedoelen de eeuw van de optica maar de eeuw van de geest, ratio, raison. De metafoor die geest associeert met licht is overigens al oud, zie woorden zoals inlichting / voorlichting / opheldering / verklaring. De term Siècle des Lumières en het cartesiaanse ‘clair’ leiden tot de Duitse term Aufklärung en de Nederlandse term Verlichting.

Van de kleurrijke club philosophes heeft elk een eigen bijdrage geleverd aan de Verlichting. In de 19e en 20e eeuw verbleken hun namen, alleen Voltaire en Diderot houden enige naamsbekendheid. Voltaire vanwege zijn titanenpolemiek met de kerk, Diderot vanwege zijn Encyclopédie. In 1747 begint Diderot aan dat project, het geldt als het boegbeeld van de Franse Verlichting. Tegenwoordig is een encyclopedie niets bijzonders, maar deze is bijzonder. In de 18e eeuw is natuurwetenschap nauwelijks vertegenwoordigd op universiteiten. Nieuwe inzichten en technieken worden nauwelijks gebundeld, geordend of gearchiveerd. Het project van Diderot en zijn team is het grootste initiatief tot dan toe om een systematisch overzicht te geven van de moderne kennis. De volledige titel luidt Encyclopédie, ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers. Kenmerkend aan de titel is het woord raisonné. Dat bevat de term raison, ratio, geest, het cartesiaanse cogito. De overheid ziet weinig credo erin en verbiedt de uitgave halverwege. En het project heeft meer tegenslag. Geldproblemen, medewerkers die vertrekken, een uitgever die knoeit in de tekst. Na 25 jaar, in 1772, weet Diderot het project af te ronden. Het resultaat zijn 28 grote boekdelen: 17 delen tekst, 11 delen gravures. Het is natuurlijk een encyclopedie met praktisch nut: een koper die iets erin wil opzoeken kan bij het gezochte trefwoord zijn informatie vinden. Maar de Encyclopédie is vooral een mijlpaal. Dit seculiere kennis-universum is de res extensa in druk, de Encyclopédie wordt de concurrent van het kerkelijke wereldbeeld. De uitgave heeft succes, er verschijnen supplementen, herziene edities en goedkope roofdrukken. Tijdens de Franse Revolutie zijn er 24.000 sets in omloop.

Talrijke philosophes hebben bijdragen geschreven voor de Encyclopédie. Dat zou de indruk kunnen wekken dat ze een harmonisch samenwerkende club waren. Niets is minder waar. Elk van hen vindt zichzelf een lichtende ster, ze staan niet graag in de schaduw van een naburige ster. Het leidt tot onderlinge irritaties. Maupertuis is gebrouilleerd met Voltaire, Voltaire is gebrouilleerd met Rousseau, Rousseau is gebrouilleerd met Diderot, om enkele van de conflicten te noemen. Maar allemaal zijn ze gebrouilleerd met Lamettrie. Kennelijk is Lamettrie de grootste ster, die al zijn collega’s in de schaduw stelt. Reden om deze centrale figuur van de Franse Verlichting nader te bekijken.

Julien Offray de La Mettrie

Julien Offray de La Mettrie (1709-‘51), kortweg Lamettrie, wordt geboren in de Franse stad St. Malo, waar ook philosophe Maupertuis vandaan komt. Hij studeert medicijnen te Parijs, doet in 1728 arts-examen en werkt vijf jaar in de praktijk van een bevriend arts in St. Malo. Hij besluit verder te studeren, in 1733 gaat hij naar Leiden, waar de bekendste arts van Europa doceert: Boerhaave. Diens cartesiaanse aanpak bevalt hem 16). Ziekte moet niet worden verklaard als het werk van de duivel, als de invloed van hekserij of als straf van God. De oorzaak van ziekte ligt in fysiologische storingen. Die nuchtere wetenschappelijke aanpak wil Lamettrie ook in Frankrijk bekendmaken. Van 1734 tot 1742 is hij weer in St. Malo, studerend in Boerhaave. Hij vertaalt diens boeken uit het Latijn in het Frans en schrijft commentaren erbij. Ook publiceert hij eigen werk. Hierin kritiseert hij het lage niveau van de Franse geneeskunde. Met name de medische faculteit van de Sorbonne moet het ontgelden. Het kan hem niet bekoren dat Franse medici het ontleden van lijken zien als een bezigheid die beneden de waardigheid van een arts is. Zijn kritiek en spot leiden tot een levenslange vete met de Sorbonne.

In 1742 krijgt hij een hoge medische functie in het leger. Wanneer hij tijdens een veldtocht in 1743 ziek wordt, volgt hij aandachtig zijn eigen ziekteproces. Hij merkt dat hij tijdens koortsen ijlt en hallucineert. Het brengt hem tot de overtuiging dat de ziel of geest geen onafhankelijk fenomeen is, maar een product van de fysiologie. Wanneer het lichaam koorts heeft, gaat de ziel ijlen. Wanneer het lichaam alcohol drinkt, wordt de ziel vrolijk. Wanneer het lichaam opium gebruikt, hallucineert de ziel. Wanneer het lichaam in slaap valt, valt tegelijk de ziel in slaap. Wanneer het lichaam oud wordt, krijgt ook de ziel gebreken (dementie). Kennelijk is de toestand van de ziel afhankelijk van de toestand van het lichaam. Lamettrie herleidt de ziel tot de materie. In 1745 verschijnt zijn boek erover, L’histoire naturelle de l’âme. De titel is al een pamflet op zichzelf, de essentie van de Verlichting is erin samengevat. Het gaat om het woord ‘naturelle’: de ziel is niet van goddelijke maar van natuurlijke herkomst.

Na deze uiting van materialisme heeft Lamettrie behalve de medici ook de theologen als vijand. Ze vinden dat de van ketterij verdachte arts geen Franse soldaten mag genezen, hij moet ontslag nemen. Vanwege zijn vakkennis geeft het leger hem een vervangende functie die zeer respectabel is, de degradatie is in feite een promotie. Hij wordt hoofd van de lazaretten in Noord-Frankrijk en België. Maar niet voor lang. Op 9 juli 1746 laat de censuur-autoriteit zijn boek publiekelijk verbranden. Dat is een oorlogsverklaring, hij neemt de wijk naar Nederland. Hier publiceert hij zijn opvattingen opnieuw, nog iets polemischer en radicaler. Het nieuwe boek, L’homme machine (1747), wordt direct verboden maar het is tegelijk een bestseller. Er volgt een opsporingsbevel, zijn Leidse uitgever moet hem in vermomming het land uit smokkelen.

Intussen bekleedt Lamettrie’s oude stadgenoot uit St. Malo, Maupertuis, een belangrijke functie aan het hof te Berlijn. Hij is er President van de Pruisische Akademie van Wetenschappen. Maupertuis weet te regelen dat de koning van Pruisen Lamettrie uitnodigt aan zijn hof. De bemiddeling slaagt, Lamettrie wordt hofarts van Frederik de Grote en lid van de Pruisische Akademie. Daar leeft en werkt hij nog drie jaar, tot zijn plotselinge overlijden in 1751. Hij is dan pas 41 jaar.

In het 18e eeuwse Frankrijk staan twee intellectuele stromingen tegenover elkaar, de ‘parti dévot’ en de ‘parti philosophique’. Het is de tegenstelling Kerk tegen Verlichting, de tegenstelling credo tegen cogito. Voor beide stromingen is Lamettrie taboe. Bij de devoten is dat begrijpelijk, zij zien hem als de exponent van de Verlichting. Maar ook de philosophes verstarren bij het horen van zijn naam. Lamettrie’s standpunten en spot zijn gedurfder dan hun eigen bijdragen. Vergeleken met Lamettrie zijn de andere Verlichtingsdenkers ietwat kleurloze figuren. Ja, zijzelf zijn voorwerp van Lamettrie’s spot. Wanneer hij overlijdt, aan een voedselvergiftiging, zijn beide stromingen opgelucht. Eendrachtig demoniseren ze hem. Ze zeggen dat hij krankzinnig was, dat hij zijn teksten schreef wanneer hij dronken was, ze zeggen dat hij een slechte arts was omdat hij zichzelf niet in leven kon houden, ze zeggen dat hij stierf zoals hij leefde, namelijk door genotzucht. Lamettrie wordt de antichrist, de kop-van-jut waarop iedereen zijn spanningen afreageert. De werkelijkheid is anders. Lamettrie’s eerste publicatie valt in zijn 24e levensjaar, hij overlijdt in zijn 42e levensjaar. In die achttien jaren werkt hij als arts, begeleidt hij militaire expedities, inspecteert hij lazaretten en is hij op de vlucht voor de politie. Ondanks dat tijdbeslag publiceert Lamettrie in dezelfde achttien jaar meer dan dertig boeken en pamfletten, een ongewoon grote productie. Een uiterst gedisciplineerd werker dus. Maar inderdaad, soms drijft hij de spot met zijn minder radicale collega-philosophes. Lamettrie is zijn tijd vooruit, iedereen voelt zich bedreigd, zowel zijn tegenstanders als zijn mede-philosophes.

Het taboe op Lamettrie duurt ruim honderd jaar, pas diep in de 19e eeuw corrigeren twee Duitse geleerden het. In 1866 publiceert F.A. Lange zijn klassieke boek Geschichte des Materialismus dat Lamettrie rehabiliteert. En in 1875 houdt de Berlijnse hoogleraar Emil du Bois Reymond als President van de Pruisische Akademie van Wetenschappen een lange en positieve rede over Lamettrie. De twee correcties geven Lamettrie niet meteen de faam van een Voltaire of Diderot, maar ze vormen het begin van erkenning. Tegenwoordig is het duidelijk dat Lamettrie meer dan de andere philosophes de drijvende kracht is geweest achter de Franse Verlichting.

Vergelijken we Lamettrie een moment met de twee bekendste Franse Verlichtingsdenkers Voltaire en Diderot. De een bekend om zijn radicale stijl, de ander om zijn radicale ideeën. Voltaire’s radicale stijl is zijn polemische stijl, zijn spot en sarcasme. Die stijl heeft hij geleerd van Lamettrie. Hij is zelf mikpunt geweest van Lamettrie’s spot, hij was niet ertegen opgewassen. In die harde leerschool heeft Voltaire de werking van spot en sarcasme aan den lijve ervaren. Hij vindt zijn meest bijtende toon na het overlijden van Lamettrie, hij is de erfgenaam van diens polemische kunst. En wat Diderot betreft, die formuleert zijn radicale ideeën na Lamettrie’s publicaties. Diderot’s materialisme is de echo van Lamettrie’s materialisme. Samenvattend: de philosophes verloochenen en demoniseren hun meest radicale collega Lamettrie, bevangen door diens vrolijke spot en avant-gardistische opinies. Na zijn dood nemen ze zijn radicale stijl en radicale ideeën over 17).

Het centrale thema bij Lamettrie is de ziel. Hoe dacht men vóór Lamettrie over de ziel? Er zijn drie stadia. Eerst zijn er de prehistorische animistische culturen met hun opvatting over de ziel. Vervolgens is er de bijbelse visie op de ziel. En tenslotte de opvatting van Descartes.

Prehistorische animistische culturen associëren de ziel vooral met de adem. Levende mensen ademen, dode mensen ademen niet. Daaruit leiden ze af dat de adem de levensadem is, de ziel. De taal toont op talrijke manier deze connectie van adem en ziel. Het Griekse woord psyche betekent adem en ziel. Het Latijnse woord spiritus betekent adem en ziel. Het Indische woord atma betekent adem en ziel. Er zijn veel zulke adem/ziel-woorden. Taalwetenschap en culturele antropologie hebben uitgebreid bewijs voor de adem-ziel-connectie. Omdat ook dieren ademen hebben ook zij een ziel. Het woord ‘dier’ is afkomstig van een ouder woord dat adem betekent. En het Latijnse woord animal (dier) hoort bij anima (adem, ziel). Animisme is het geloof in zielen. In animistische culturen heeft alles wat ademt een ziel, ze kennen geen standsverschil tussen mens en dier.

Dat wordt anders in de Bijbel. Die ziet wel een standsverschil tussen mens en dier. De Bijbel meldt dat God de mens kneedt uit aarde en dan de levensadem in diens neusgaten blaast. Dat is de ziel die voortleeft na de dood. Bij dieren doet God dat niet, dieren hebben geen ziel, dieren leven niet voort na de dood, ze komen niet in de hemel. De mens is geschapen naar God’s evenbeeld, dieren niet. Dat onderscheid tussen mens (met ziel) en dier (zonder ziel) dwingt het christendom om het oude idee adem-is-ziel los te laten. Dieren ademen immers, maar ze hebben geen ziel. In plaats daarvan hanteert het christendom een abstract en vaag begrip ziel.

Deze abstracte ziel van het christendom is wat Descartes aantreft in de 17e eeuw. Wat moet hij ermee? De tijd is nog niet rijp om de ziel te schrappen, dan zou hij als ketter worden vervolgd. Descartes vindt een andere oplossing. Hij geeft aan de vage, abstracte christelijke ziel een concrete en beperkte definitie: hij definieert de ziel als het denkvermogen. Denken is in het Latijn cogitare, vandaar de term res cogitans. Nadat Descartes zijn onderscheid tussen res cogitans en res extensa heeft gemaakt, rijst de vraag waar ziel en lichaam elkaar ontmoeten. Volgens Descartes ontmoeten ze elkaar in de hypofyse. Het wekt geen verbazing dat Descartes het raakpunt van ziel en lichaam juist in de hersens lokaliseert. Wanneer de ziel het denkvermogen is, dan is het brein de aangewezen locatie. Kortom, Descartes schuift de zetel van de ziel veertig centimeter omhoog: de oude ademziel zetelde in de borst, de cartesiaanse denkziel zetelt in de hersens.

Descartes handhaaft het christelijke idee dat dieren geen ziel hebben. Dat komt hem goed uit, want daardoor kan hij de dierenwereld en plantenwereld in de res extensa deponeren, waar de natuurwetenschap van toepassing is. Hij zegt dit niet letterlijk, hij zegt het in zijn 17e eeuwse taal: wanneer hij ‘natuurwetenschap’ bedoelt, zegt hij ’mechanica’. En mechanica is hetzelfde als machine, Descartes vergelijkt dieren met machines. Daarmee bedoelt hij niet dat dieren robots zijn, hij bedoelt dat de natuurwetenschap de aangewezen methode is om inzicht te krijgen in lichaamsfuncties en gedrag van dieren. Hij bedoelt eenvoudig dit: doe aan fysiologie, doe aan anatomie, maak de lichamen open en leer hoe ze functioneren. Dat is nu nog steeds de methode.

Dus drie opeenvolgende ziel-opvattingen: de animistische, de bijbelse, de cartesiaanse. Op dit punt gekomen is het aardig om te inventariseren wat er zich bevindt in de res cogitans en wat in de res extensa van Descartes. De res extensa is rijk gevuld: het heelal zit erin, plus alle dieren, alle planten en alle lichamen van mensen. In de res cogitans is het minder druk, daarin zitten alleen de zielen van mensen en God. Men ziet dat Descartes gunstig heeft onderhandeld. Zijn res extensa is rijk gevuld, terwijl de res cogitans nogal vage entiteiten bevat.

Honderd jaar na Descartes verschijnt Lamettrie op het toneel. De briljante Lamettrie beseft al snel wie de autoriteit is op wie hij zich moet oriënteren. Zijn ijkpunt is Descartes, andere denkers interesseren hem minder. Lamettrie puzzelt lang om zijn positie ten opzichte van Descartes te bepalen. Hijzelf wijst als medicus bovennatuurlijke verklaringen af, hij vertrouwt alleen de wetenschap. Daarmee zit hij op de lijn Descartes, diens pleidooi voor natuurwetenschap overtuigt hem. Maar één ding verbaast hem: waarom zet Descartes de menselijke ziel nog in de res cogitans, in de sfeer van het goddelijke en bovennatuurlijke? Daartegen verzet Lamettrie zich. Met de ene medische observatie na de andere toont hij dat wijzigingen in de zielstoestand veroorzaakt worden door wijzigingen in de fysieke toestand van de patiënt. Hij herleidt de ziel tot biochemische processen. Het denkvermogen is geen goddelijke categorie maar een hersenfunctie. Kortom, Lamettrie sleept de ziel uit de res cogitans naar de res extensa. Er is geen goddelijke ziel, er is uitsluitend natuur. Naast Descartes’ dier-als-machine zet Lamettrie de mens-als-machine, L‘homme machine. Ook Lamettrie bedoelt niet dat de mens een robot is, hij bedoelt dat de mechanica, de natuurwetenschap, op de mens van toepassing is. De termen mechanica, natuurwetenschap en materialisme betekenen in dit verband hetzelfde. Lamettrie is materialist, aanhanger van de natuurwetenschap, in tegenstelling tot de aanhangers van bovennatuurlijke (immateriële, goddelijke) verklaringen.

Lamettrie meent dat Descartes stilzwijgend ook wel wist dat de ziel niets bovennatuurlijks is, maar dat hij het niet uitsprak vanwege de macht van het christendom 18). Dat vindt Lamettrie aannemelijk, want hijzelf heeft honderd jaar na Descartes nog steeds censuurproblemen. Is Lamettrie’s vermoeden correct? Was Descartes stilzwijgend al materialist? Het blijft speculeren over wat Descartes heeft gedacht-maar-niet-opgeschreven, maar twee van zijn uitingen lijken het vermoeden te steunen. Hij zei “larvatus prodeo”: vermomd ga ik door het leven. Dat lijkt erop te duiden dat hij zijn ware opvatting verhulde. En elders gebruikt hij het Latijnse spreekwoord “bene vixit qui bene latuit”: goed leven is zich goed verbergen. Misschien was Descartes inderdaad radicaler dan wat hij uitsprak en opschreef. Hoe dit ook zij, Lamettrie spreekt het in elk geval uit: de bovennatuurlijke ziel bestaat niet.

Lamettrie’s idee dat de ziel niet bestaat vormt een bedreiging voor de Franse overheid. Het 18e eeuwse Frankrijk kent grote sociale ongelijkheid. Adel en hoge clerus baden in weelde terwijl de bevolking in armoede leeft 19). De verpauperde volksmassa klampt zich vast aan de droom dat het in de hemel beter wordt. De kerk voedt en stimuleert de hemeldroom, het verdovingsmiddel dat het volk verzoent met de armoede. Lamettrie dreigt het volk wakker te schudden, hij stelt dat de ziel niet bestaat, dat er geen leven na de dood is, dus geen hemel. Lamettrie’s boeken worden verboden, de politie zoekt hem, hij is staatsvijand nummer één.

Na Lamettrie’s overlijden zetten de andere philosophes het werk voort. d’Holbach met zijn Système de la Nature, Rousseau met zijn Contrat Social, Voltaire met zijn Dictionnaire Philosophique, Diderot met zijn Encyclopédie, de publicaties zijn talrijk. Ze ondermijnen het gezag van kerk en koning en creëren maatschappelijk draagvlak om hun macht te breken. De Franse Revolutie doet dat tenslotte. Zij schaft de monarchie af en ontneemt de kerk haar positie. De rijke landerijen en overige bezittingen van de kerk worden onteigend, het is afgelopen met de positie van staatskerk.

 

Noten essay 1

— 1) Sarton 1948, blz. 40 en 24

— 2) Dijksterhuis 1970, blz. 14

— 3) Sarton 1961, blz. XI, blz. 1-6, blz. 166-175

— 4) Israel, blz. VI

— 5) Descartes 1996, blz. 3 t/m 40

— 6) Verbeek 1996, blz. 32

— 7) Antonio Damasio en Daniel Dennett verwijten Descartes dualisme.

— 8) Descartes 1997, blz. 22-23 (= inleiding vertaler Theo Verbeek) en blz. 94

— 9) Bots, blz. 137

— 10) Dit aspect vooral in het boek De betoverde Weereld (1691) van cartesiaan Balthasar Bekker

— 11) Stanford Encyclopedia of Philosophy, daarin het artikel over Descartes. Zie website 11. Ook: Vermij, blz. 79. Van der Hoeven, blz. 72-76. Westfall, blz. 36.

— 12) Whittaker, blz. 3

— 13) Russell, blz. 580

— 14) Dijksterhuis 1960, blz. 18

— 15) Baron d’Holbach, Système de la Nature, 1770. Baron d’Holbach, Politique Naturelle, ou Discours sur les vrais principes du Gouvernement, 1773.

— 16) Verbeek 1988, deel II, blz. 26: “En matière de physiologie Boerhaave était essentiellement et fidèlement cartésien.”

— 17) Voor de verhouding tussen Lamettrie en de andere philosophes: Wellman, blz. 272-285. Een oudere biografie over Lamettrie is Poritzky. Deze Lamettrie-paragraaf volgt vooral Poritzky

— 18) Lamettrie, blz. 89-90. F.A. Lange, deel 1, blz. 211, 364, 369-370. Wellman, blz. 229-230

— 19) Hufton, blz. 11-24