Bevrijding

april 2019

Ton Munnich

BEVRIJDINGSDAG


inhoudsopgave 
– Inleiding
– Darwin-mythe
– Het Angelsaksische model
– Taalverdringing
– Conclusie

Inleiding

In 1944-’45 bevrijdden Engelsen, Amerikanen en Canadezen ons land van nazi-Duitsland. Elk jaar op Bevrijdingsdag herdenken we dat. Dan tonen we respect voor de Engelse en Amerikaanse oorlogsinspanning en memoreren we het belang van de bevrijding. Het is goed om dat te blijven doen.
In 2020 is het vijfenzeventig jaar geleden, een jubileum. Dan zullen de plechtigheden en media-aandacht uitgebreider zijn dan in andere jaren. Vijfenzeventig jaar zijn een lange tijd, het zijn drie generaties. Die steeds verder toenemende afstand in de tijd maakt het mogelijk om – naast de direct-betrokken herdenkingen – ook met meer afstandelijke blik te kijken naar de gebeurtenissen van toen.
Na 1945 is de cultuur van de Engels-Amerikaanse bevrijders dominant geworden in Europa. Enkele eenvoudige trefwoorden: coca cola, blue jeans, Hollywood, Broadway, Wall Street. Veel van die invloed werd in Europa als positief ervaren. Europese ouders gingen in toenemende mate hun kinderen Engelse namen geven. Nederlanders heten niet meer Jan en Els, ze heten Jeffrey en Kimberley.
Ook de historische beeldvorming onderging die invloed. Sinds 1945 is de geschiedenis van de 19e en 20e eeuw vooral een Engels-Amerikaans narratief, met de Engelsen en Amerikanen in de rol van bevrijders. Echter, nu we drie generaties verder zijn lijkt de tijd rijp om dat enigszins eenzijdige beeld te corrigeren.

Darwin-mythe

Voor de Tweede Wereldoorlog wisten alle deskundigen dat in de 19e eeuw de Duitse universiteiten de motor van de wetenschappelijke vooruitgang waren. Duitsland was het grote land van de wetenschap, met name ook in de biologische vakken. Frankrijk en Schotland konden aardig meekomen, Engeland hobbelde achteraan. Na de Tweede Wereldoorlog verdwijnt dat besef en wordt er een nieuw plaatje geschilderd van de 19e-eeuwse ontwikkelingen in de ‘life sciences’. Het nieuwe plaatje stileert de Engelsman Charles Darwin tot grondlegger van de moderne biologie. Hoe is dat gegaan, en wat heeft het te maken met Bevrijdingsdag?

De jonge Darwin is geen studiebol. Op de middelbare school moet  zijn vader hem van school nemen wegens zwakke prestaties, een studie geneeskunde mislukt meteen in het eerste jaar. Zijn voorkeur gaat uit naar het schieten van vogels, pa moppert: “You care for nothing but shooting”. Op bevel van pa gaat hij theologie studeren, met bijlessen haalt hij daarin een Bachelor. Dan is het definitief genoeg, de jonge avonturier stapt op een marineschip voor een vijf jaar durende wereldreis die hem vertrouwd maakt met de Engelse koloniale praktijk. Zijn natuurwetenschappelijke opleiding is nihil. Darwin levert dan ook geen grote wetenschappelijke prestaties, maar in het kleine wetenschappelijke wereldje van het victoriaanse Engeland is hij het rijkst en heeft hij het beste netwerk. En vooral: zijn theorie (“my theory”) past als een ideologische handschoen om de Engelse koloniale vuist. Hij typeert het leven als een gevecht, als de “war of nature” en de “battle of life”, en hij ziet de Engelse koloniale veroveringen als bewijs ervan. Hij voorspelt dat het superieure kaukasische ras binnen niet al te lange tijd de “lower races” zal hebben uitgeroeid en hun plaats zal hebben ingenomen. Dat is de survival of the fittest. Het kaukasische ras, en met name het Engelse volk is de fittest. De victoriaanse Engelsen heffen hem op het schild als hun topwetenschapper. Niet door hem geleverde wetenschappelijke prestaties worden aan hem toegeschreven.

Aldus fungeert Darwin’s theorie als alibi voor Engels koloniaal geweld. Maar er is meer. De Duitse keizer Wilhelm II is de kleinzoon van Queen Victoria. Hij ziet de wereldwijde koloniale expansie van zijn grootmoeder’s land. Dat wil hij ook, Duitsland moet promoveren van ‘Grossmacht’ tot ‘Weltmacht’, net zoals Engeland. Het milieu rond Wilhelm leent van Engeland het ideologische alibi voor die expansie, namelijk het darwinistische idee dat oorlog de natuurlijke zijnsvorm is, het idee dat het leven een ‘war of nature’, een ‘battle of life’ is. Darwin’s Duitse fans vertalen die darwinistische soundbites tot “Kampf-ums-Dasein” en “Lebenskampf”. Aldus is aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een groot deel van Europa van mening dat oorlog de gezonde, normale, natuurlijke leefstijl is, niemand is verrast wanneer de oorlog uitbreekt. Nadat Duitsland die verloren heeft willen verbitterde groepen het nog eens overdoen, ze steunen vechtersbaas Adolf Hitler. Het darwinistische sleutelwoord ‘Kampf’ vormt de titel van diens boek Mein Kampf. In grote lijnen hebben Darwin en Hitler hetzelfde visioen: Darwin ziet een kaukasisch ras dat onder Engelse leiding andere rassen uitroeit, Hitler ziet een arisch ras dat onder Duitse leiding andere rassen uitroeit. Darwin spreekt over de “great stream of Anglosaxon emigration to the West” (kolonisatie van Amerika, Australie, Nieuw Zeeland), Hitler spreekt over “Lebensraum im Osten” (kolonisatie van Rusland). Alles volgens Darwin’s recept “exterminate and replace throughout the world the savage races”.
Deze lijn van Darwin naar Hitler is niet de enige. Ook langs een andere route is er een connectie tussen de twee. Darwin heeft een neef, genaamd Francis Galton. Deze neef leest Darwin’s hoofdwerk On the Origin of Species. Hij is enthousiast erover, maar hij ziet een bepaalde onvolledigheid erin die hij wil opvullen. De overheid, zo meent Galton, moet verhinderen dat minderwaardig mensenmateriaal zich voortplant en stimuleren dat hoogwaardig mensenmateriaal onderling trouwt en aldus kwaliteitskinderen produceert. Galton wil de kwaliteit van de bevolking verbeteren met een nationaal fokprogramma, ongeveer zoals schapenfokkers en geraniumkwekers het ook doen. Darwin is positief over zijn neef. Galton introduceert voor zijn ideeën de term ‘eugenics’. De Duitser Dr. Alfred Ploetz vertaalt ‘eugenics’ tot de Duitse term ‘Rassenhygiene’ en sticht in 1905 de ‘Deutsche Gesellschaft für Rassenhygiene’. Galton wordt honorair vice-voorzitter ervan, Ploetz is op zijn beurt vice-voorzitter van Galton’s ‘Eugenics Education Society’. Na Galton’s overlijden (1911) organiseert deze Eugenics Education Society in 1912 in Londen de grote ‘International Eugenics Conference’ ter ere van de overledene. President van de conferentie is Darwin’s zoon Leonard Darwin, vice-president is Ploetz. In 1936 benoemt Hitler Ploetz tot hoogleraar. De ‘Rassenhygiene’ fungeert in nazi-Duitsland als pseudo-wetenschappelijke onderbouwing voor de planmatige verdelging van als minderwaardig beschouwd mensenmateriaal.
Zo is er meer, langs allerlei lijnen is het denkmilieu van de Darwin-clan een inspiratie geweest voor nazi-Duitsland.

West-Europa wordt in de Tweede Wereldoorlog bevrijd door de Engelsen en Amerikanen, hun cultuur wordt dominant in West-Europa. De Engelse held Darwin wordt ontzien bij het aanwijzen van verantwoordelijken voor de nazi-criminaliteit. Naoorlogse (biologie-)historici duiden de nazi-criminaliteit vooral als een intern Duits probleem, zonder lijnen naar de Darwin-clan. En naarmate de Engels-Amerikaanse cultuur na de Tweede Wereldoorlog dominant wordt in de wereld, wordt hun Darwin-cultus een mondiale cultus. Er ontstaat een ware ‘Darwin Industry’ die Darwin neerzet als de grondlegger van de moderne biologie en als het grootste genie aller tijden. Het toppunt van de publiciteitscampagne is het internationale Darwinjaar 2009. Deze Darwin-mythe verstoort tot heden de normale historische beeldvorming. Naar het spreekwoord ‘history is written by the victors’.

Het Angelsaksische model

Naast de Darwin-mythe heeft ook een ander Engels fenomeen een opmars gemaakt na de Tweede Wereldoorlog. Namelijk ‘het Angelsaksische model’. De termen ‘het Angelsaksische model’ en ‘het Rijnlandse model’ zijn een vertrouwd begrippenpaar in de politieke en sociale wetenschappen. Het zijn twee stijlen van samenleving. Het Angelsaksische model wordt gekenmerkt door trefwoorden zoals competitie, concurrentie, marktwerking, winstmaximalisatie en kapitalisme. In het Rijnlandse model is het winstbejag gematigder en spelen ook samenwerking en sociale aspecten een rol. Hoe het begrippenpaar de scheidslijn markeert in de moderne Nederlandse politiek,  ziet men in TV-debatten, bijvoorbeeld de Buitenhof-aflevering van 14-10-2018 en de Jinek-aflevering van 26-03-2019. Generaliserend: de VVD prefereert het Angelsaksische model, de PvdA het Rijnlandse model.

Het Angelsaksische model komt uit de Angelsaksische wereld. In de 19eeuw was Engeland de mondiale supermacht, gericht op verovering van markten en kolonies. In de 20e eeuw neemt Engeland’s grote neef, de VS, het stokje over als expansie-georiënteerde supermacht. De ideologische legitimering van die expansie-praktijk heette vroeger ‘sociaal-darwinisme’. Wat heeft die oude term te maken met de moderne term ‘het Angelsaksische model’?
Tegenwoordig betekent ‘sociaal’ ongeveer: menslievend, hulpvaardig, solidair, het heeft associaties met christelijke naastenliefde. Maar dat was niet de betekenis toen rond 1880 de term sociaal-darwinisme ontstond. Daar betekent ‘sociaal’ iets anders. Darwin had in zijn hoofdwerk zijn visie op de natuur beschreven voor wat betreft planten en dieren. Over mensen zweeg het boek. Maar het was duidelijk dat de natuurwetten ook golden in de menselijke samenleving, in de menselijke ‘society’, vandaar ‘social darwinism’. Het betekent dus: de wetten van de dierenwereld toegepast op de menselijke samenleving. En omdat Darwin het leven beschreef als strijd, oorlog en competitie, betekende sociaal-darwinisme dat de menselijke samenleving draait om strijd, oorlog en competitie. Met name op twee terreinen manifesteerde dit sociaal-darwinisme zich. Op de eerste plaats in de economie.
In de economie eist de sociaal-darwinistische opvatting ongebreidelde competitie. Die zou leiden tot de survival-of-the-fittest en het sneuvelen van de minder fitten, zoals het hoort in de natuur. Vooral de Engelsman Herbert Spencer verwoordt dit. In de jaren 1865-1890 behoort hij tot de invloedrijkste intellectuelen van Engeland en Amerika. Zijn boeken verkopen zeer goed in de VS, hij krijgt eredoctoraten en in 1902 een Nobelprijs-nominatie. Geheel in Spenceriaanse geest zegt olie-tycoon John D. Rockefeller: “de groei van een grote onderneming is niets anders dan een survival-of-the-fittest”. Staalmagnaat Andrew Carnegie, woordvoerder van het Amerikaanse kapitalisme, is verzot op Spencer die immers lijkt aan te tonen dat kapitalisme de meest natuurlijke vorm van gedrag is. Hij haalt Spencer naar de VS voor een toernee. Het afsluitende banket op 9 november 1882 is een hoogtepunt in het culturele seizoen van New York. In de tafelredes van de vooraanstaande genodigden vloeien rijkelijk de superlatieven over Spencer’s genie.
Naast dit economische sociaal-darwinisme is er de tweede variant: het sociaal-darwinisme dat zich richt op naties en rassen. Het leven is een competitie tussen naties en rassen, het is zaak dat het eigen ras die strijd wint. Een Engelse woordvoerder van deze opvatting is Karl Pearson, vooraanstaand darwinist en vanaf 1912 tientallen jaren hoogleraar op de ‘Galton Professorship for Eugenics’ aan University College London. Pearson vindt dat buitenlandse politiek vooral moet bestaan uit oorlogvoeren tegen “lower races”. Deze variant van het sociaal-darwinisme verbreidt zich in de eerste decennia van de twintigste eeuw in Duitsland en beheerst het wereldbeeld van Adolf Hitler. Daardoor is de term na de Tweede Wereldoorlog besmet, niemand wil ermee geassocieerd worden. Maar dit naoorlogse taboe op de term sociaal-darwinisme leidt tot een praktisch probleem. Immers, de eerstgenoemde variant, het economische sociaal-darwinisme van Herbert Spencer, moet een nieuwe naam krijgen nu de term sociaal-darwinisme niet meer kan. Die nieuwe naam komt er inderdaad. De Spenceriaanse opvatting dat de economie een ongeremde concurrentieslag moet zijn, krijgt na de oorlog het neutrale etiket ‘het Angelsaksische model’.

De VS handhaaft na de Tweede Wereldoorlog de ruige economie volgens het Angelsaksische model, met beperkte sociale voorzieningen. De Bondsrepubliek Duitsland besluit het anders te doen: wel marktwerking, maar met een menselijk gezicht, de overheid neemt verantwoordelijkheden. Het model werd ontwikkeld toen de stad Bonn nog hoofdstad van Duitsland was. Bonn ligt in het Rijnland, vandaar ‘het Rijnlandse model’. Het heeft goed gewerkt, de periode van het Rijnlandse model is de periode van het ‘Wirtschaftswunder’, de jaren ’50, ’60, ’70, ‘80, waarin het verwoeste Duitsland herrees als de sterkste economie van Europa. Veel Europese landen en de EU als geheel adopteerden het Rijnlandse model. En zo bestaan de twee modellen min of meer vredig naast elkaar, het Angelsaksische model in de VS, het Rijnlandse model in de EU. Maar rond 1990 gaat er  iets mis.
In 1989 maakt de Russische president Gorbatsjov een einde aan de Koude Oorlog. Een verstandige daad, Gorbatsjow behoort tot de belangrijkste politici van de 20e eeuw. In de VS ziet men zijn daad anders, daar zegt men ongeveer dit: ‘de Sovjet Unie heeft de strijd opgegeven, dus wij hebben de Koude Oorlog gewonnen, dat bewijst dat ons systeem van vrije markt het beste is’. Vanaf die tijd buigt de Europese Unie voor het Angelsaksische model. Nederland start een reeks privatiseringen, menend dat marktwerking zal leiden tot betere dienstverlening en lagere prijzen. Overheidsdiensten gaan in de verkoop: spoorbedrijf, postbedrijf, telefoniebedrijf, gasbedrijf, electriciteitsbedrijf, girodienst (= betalingsverkeer), ziekenfonds (= verzekering), gezondheidszorg, woningbouwcorporaties. De privatiseringsgolf heeft ca. twintig jaar geduurd, van 1990 tot 2010. Ze is in hoofdzaak mislukt, de marktwerking heeft niet geleid tot betere dienstverlening of lagere prijzen. Reden voor de Eerste Kamer om in 2011 de ‘Parlementaire Onderzoekscommissie Privatisering’ te benoemen. Haar rapport (2012) trekt negatieve conclusies: de privatiseringsgolf heeft het bredere publieke belang verwaarloosd en heeft de mens versmald tot klant, aldus de commissie. Dit onbehagen leeft ook in de politiek, het wordt verwoord door de linkse partijen: de PvdA moppert over het Angelsaksische model, de SP moppert over het neo-liberalisme, wat ongeveer hetzelfde is.

Een apart geval is Engeland, waar de twee modellen om de voorrang strijden. Enerzijds is Engeland de bakermat van het Angelsaksische model, anderzijds is het lid van de Europese Unie. De dubbelheid smeult decennia, tot zij in 2016 aan de oppervlakte komt in de Brexit-affaire.

Taalverdringing

Ook op een ander terrein heeft de Engels-Amerikaanse sfeer Europa veroverd. In 1999 ondertekenden de landen van Europa de Bologna-verklaring voor standaardisering van de academische titulatuur. De Engels-Amerikaande titels Bachelor / Master werden de standaard, in Nederland verdwenen daardoor de titels ‘kandidaat’ en ‘doctorandus’. In de praktijk bleef het niet bij deze verwisseling van titels, ook het onderwijs zelf begon te ‘verengelsen’. Dat leidde tot bezorgdheid. Twintig jaar na de Bologna-verklaring, op 29 maart 2019, publiceerden 186 Nederlandse intellectuelen in De Volkskrant een noodkreet over het feit dat de Engelse taal in toenemende mate de Nederlandse taal verdringt van de universiteiten. Ze wijzen erop dat inmiddels driekwart van de Master-opleidingen uitsluitend in het Engels wordt aangeboden. En de Bachelor-opleidingen gaan dezelfde kant op. Terwijl toch de Wet op het Hoger Onderwijs eist dat universitair onderwijs geschiedt in het Nederlands, tenzij er een gemotiveerde reden is om af te wijken. De universiteiten negeren de wet zonder dat de Onderwijsinspectie ingrijpt. De groep van 186 noemt tien redenen waarom deze situatie als ongewenst moet worden beschouwd. Hun onbehagen komt niet uit de lucht vallen, het is de laatste jaren vaker geventileerd. Momenteel is er een wetswijziging in de maak die verdere verengelsing moet tegengaan. De kwestie is op internet te volgen, inclusief de tekst van de Volkskrant-oproep.
De 186 ondertekenaars zijn vooraanstaande cultuurdragers. De helft is hoogleraar, de andere helft is al even deftig. Oud-ministers, vice-premiers, oud-burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam, oud-presidenten van de KNAW, oud-directeuren van NIOD en Rijksmuseum, rechters, uitgevers, hoofdredacteuren, publicisten, televisiemakers, theatermakers en meer. Wanneer zo’n collectie ego’s zich verenigt om samen een probleem aan te stippen, lijkt er iets aan de hand te zijn. Er is inderdaad iets aan de hand. Nu de universiteiten Engelstalig zijn, lijkt het Nederlands af te glijden tot een regionaal dialect, een stukje folklore waarover het Meertens Instituut straks wellicht een studie publiceert met als titel ‘The Dutch language – a voice from the past’.

Conclusie

Terecht tonen we op Bevrijdingsdag respect voor de Engelse en Amerikaanse oorlogsinspanning en memoreren we het belang van de bevrijding. Maar het lijkt realistisch te beseffen dat ook de bevrijders hun stempel op Europa hebben gedrukt. In de wetenschap is er de wonderlijke Darwin-cultus, in de economie is er het agressieve Angelsaksische model, in de cultuur is er de opdringende Engelse taal. Drie fenomenen die wellicht niet iedereen als onverdeeld positief ervaart.

.                                                   ############################
.                                                           ####################