discussie



april 2019

Ton Munnich

BEVRIJDINGSDAG


inhoudsopgave 
– Inleiding
– Darwin-mythe
– Het Angelsaksische model
– Taalverdringing

Inleiding

Vijfenzeventig jaar geleden bevrijdden Engelsen, Amerikanen en Canadezen ons land van nazi-Duitsland. Elk jaar op Bevrijdingsdag herdenken we dat. Dan tonen we respect voor de Engelse en Amerikaanse oorlogsinspanning en memoreren we het belang van de bevrijding.
De lange periode van 75 jaar betekent dat het inmiddels drie generaties geleden is. Alles is veranderd, beeldmateriaal uit de oorlog maakt een bijna prehistorische indruk op de jeugd van nu. Daarom lijkt het nuttig om, naast respect voor de nog steeds bestaande gevoelens, ook een moment afstand te nemen van die gevoelens en met meer neutrale blik te kijken naar de gebeurtenissen van toen.
Na 1945 is de cultuur van de Engels-Amerikaanse bevrijders dominant geworden in Europa. Films uit Hollywood, popmuziek uit Engeland, de dollar als betaalmiddel, het zijn slechts enkele voorbeelden. Veel van die invloed wordt in Europa als positief ervaren. Maar niet alles is positief. Met name in de historische beeldvorming is er iets misgegaan. De geschiedenis van de 19e en 20e eeuw is een eenzijdig Engels-Amerikaans narratief geworden. Wat de oorlog betreft kennen we de Engelsen en Amerikanen als bevrijders. Dat is echter niet het hele verhaal. Na 75 jaar lijkt de tijd rijp om het beeld te nuanceren door ook een ander aspect kort aan te stippen.

Darwin-mythe

Voor de Tweede Wereldoorlog wisten alle deskundigen dat in de 19e eeuw de Duitse universiteiten de motor van de vooruitgang waren. Duitsland was het grote land van de wetenschap, met name ook in de biologische vakken. Frankrijk en Schotland konden aardig meekomen, Engeland hobbelde achteraan. Na de Tweede Wereldoorlog verdwijnt dat besef en wordt er een nieuw plaatje geschilderd van de 19e-eeuwse ontwikkelingen in de ‘life sciences’. Het nieuwe plaatje stileert de Engelsman Charles Darwin tot grondlegger van de moderne biologie. Hoe is dat gegaan, en wat heeft het te maken met de Tweede Wereldoorlog?

De jonge Darwin is geen studiebol. Op de middelbare school moet  zijn vader hem van school nemen wegens zwakke prestaties, een studie geneeskunde mislukt meteen in het eerste jaar. Zijn voorkeur gaat uit naar het schieten van vogels, pa moppert: “You care for nothing but shooting”. Op bevel van pa gaat hij theologie studeren, met bijlessen haalt hij daarin een Bachelor. Dan is het definitief genoeg, de jonge avonturier stapt op een marineschip voor een vijf jaar durende wereldreis die hem vertrouwd maakt met de Engelse koloniale praktijk. Zijn natuurwetenschappelijke opleiding is nihil. Darwin levert dan ook geen grote wetenschappelijke prestaties, maar in het kleine wetenschappelijke wereldje van het victoriaanse Engeland is hij het rijkst en heeft hij het beste netwerk. En vooral: zijn theorie (“my theory”) past als een ideologische handschoen om de Engelse koloniale vuist. Hij typeert het leven als een gevecht, als de “war of nature” en de “battle of life”, en hij ziet de Engelse koloniale veroveringen als bewijs ervan. Hij voorspelt dat het superieure kaukasische ras binnen niet al te lange tijd de “lower races” zal hebben uitgeroeid en hun plaats zal hebben ingenomen. Dat is de survival of the fittest. Het kaukasische ras, en met name het Engelse volk is de fittest. De victoriaanse Engelsen heffen hem op het schild als hun top-wetenschapper, vage en niet-geleverde wetenschappelijke prestaties worden aan hem toegeschreven.

Aldus fungeert Darwin’s theorie als alibi voor Engels koloniaal geweld. Maar er is meer. Zijn theorie inspireert ook het militaristische deel van Duitsland. De Duitse keizer Wilhelm II, kleinzoon van Queen Victoria, ziet de wereldwijde koloniale expansie van zijn grootmoeder’s land. Dat wil hij ook, Duitsland moet promoveren van ‘Grossmacht’ tot ‘Weltmacht’, net zoals Engeland. En het milieu rond Wilhelm leent ook van Engeland het ideologische alibi voor die expansie, namelijk het darwinistische idee dat oorlog de natuurlijke zijnsvorm is, het idee dat het leven een ‘war of nature’ en een ‘battle of life’ is. Darwin’s Duitse fans vertalen die darwinistische soundbites tot “Kampf-ums-Dasein” en “Lebenskampf”. Aldus is aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog half Europa van mening dat oorlog de gezonde, normale, natuurlijke leefstijl is, niemand is verrast wanneer de oorlog uitbreekt. Nadat Duitsland die verloren heeft willen verbitterde groepen het nog eens overdoen, ze steunen vechtersbaas Adolf Hitler. Het darwinistische sleutelwoord ‘Kampf’ vormt de titel van diens boek Mein Kampf. In grote lijnen hebben Darwin en Hitler hetzelfde visioen: Darwin ziet een kaukasisch ras dat onder Engelse leiding andere rassen uitroeit, Hitler ziet een arisch ras dat onder Duitse leiding andere rassen uitroeit. Darwin spreekt over de “great stream of Anglosaxon emigration to the West” (kolonisatie van Amerika, Australie, Nieuw Zeeland), Hitler spreekt over “Lebensraum im Osten” (kolonisatie van Rusland). Alles volgens Darwin’s recept “exterminate and replace throughout the world the savage races”.
Darwin heeft een neef, genaamd Francis Galton. Deze Galton leest het Origin-boek van zijn neef, is enthousiast erover, maar hij ziet een bepaalde onvolledigheid erin die hij wil opvullen. De overheid, zo meent hij, moet verhinderen dat minderwaardig mensenmateriaal zich voortplant en stimuleren dat hoogwaardig mensenmateriaal onderling trouwt en aldus kwaliteitskinderen produceert. Eenvoudig gezegd, Galton wil met een nationaal fokprogramma de kwaliteit van de bevolking verbeteren, ongeveer zoals schapenfokkers en geraniumkwekers het ook doen. Darwin is zeer positief over zijn neef. Galton introduceert voor zijn ideeën de term ‘eugenics’. De Duitser Dr. Alfred Ploetz vertaalt ‘eugenics’ tot de Duitse term ‘Rassenhygiene’ en in 1905 sticht hij de ‘Deutsche Gesellschaft für Rassenhygiene’. Galton wordt honorair vice-voorzitter ervan, Ploetz is op zijn beurt vice-voorzitter van Galton’s ‘Eugenics Education Society’. Na Galton’s overlijden (1911) organiseert deze Eugenics Education Society in 1912 in Londen de grote ‘International Eugenics Conference’ ter ere van de overledene. President van de conferentie is Darwin’s zoon Leonard Darwin, vice-president is Ploetz. In 1936 benoemt Hitler Ploetz tot hoogleraar. De ‘Rassenhygiene’ fungeert in nazi-Duitsland als pseudo-wetenschappelijke onderbouwing voor de planmatige verdelging van minderwaardig mensenmateriaal.
En zo is er meer, langs allerlei lijnen is het denkmilieu van de Darwin-clan een inspiratie geweest voor nazi-Duitsland.

West-Europa wordt in de Tweede Wereldoorlog bevrijd door de Engelsen en Amerikanen, hun cultuur wordt dominant in West-Europa. De Engelse held Darwin wordt ontzien bij het aanwijzen van verantwoordelijken voor de nazi-criminaliteit. Naoorlogse (biologie-)historici duiden de nazi-criminaliteit vooral als een intern Duits probleem, zonder lijnen naar de Darwin-clan. En naarmate de Engels-Amerikaanse cultuur na de Tweede Wereldoorlog dominant wordt in de wereld, wordt hun Darwin-cultus een mondiale cultus. Er ontstaat een ware ‘Darwin Industry’ die Darwin neerzet als de grondlegger van de moderne biologie en als het grootste genie aller tijden. Het toppunt van de publiciteitscampagne is het internationale Darwinjaar 2009. Deze Darwin-mythe verstoort tot heden de normale historische beeldvorming.
De gang van zaken is niet nieuw, het is een bekend patroon. Een cultuur die dominant wordt, vergroot zijn helden tot mondiale iconen. Er is een spreekwoord hiervoor: ‘history is written by the victors’.

Het Angelsaksische model

Naast de Darwin-mythe heeft ook een ander Engels fenomeen een opmars gemaakt na de Tweede Wereldoorlog. Namelijk ‘het Angelsaksische model’. De termen ‘het Angelsaksische model’ en ‘het Rijnlandse model’ zijn een vertrouwd begrippenpaar in de politieke en sociale wetenschappen. Het zijn twee stijlen van samenleving. Het Angelsaksische model wordt gekenmerkt door trefwoorden zoals competitie, concurrentie, marktwerking, winstmaximalisatie en kapitalisme. In het Rijnlandse model is het winstbejag gematigder en spelen ook samenwerking en sociale aspecten een rol. Twee recente televisiedebatten tonen hoe het begrippenpaar de scheidslijn markeert in de moderne Nederlandse politiek. In de Buitenhof-aflevering van 14-10-2018 debatteerde Unilever-topman Antony Burgmans met de financieel woordvoerder van de Tweede-Kamer-fractie van de PvdA Henk Nijboer. En een vergelijkbaar debat vond plaats in het programma Jinek op 26 maart 2019. Ietwat generaliserend kan men de scheidslijn als volgt trekken: de VVD prefereert het Angelsaksische model, terwijl de linkse oppositie (PvdA, SP, Groen Links) het Rijnlandse model prefereert.

Waar komt het Angelsaksische model vandaan? De naam zegt het al: uit de Angelsaksische wereld. In de 19eeuw was Engeland de mondiale supermacht, gericht op verovering van markten en kolonies. In de 20e eeuw neemt Engeland’s grote neef, de VS, het stokje over als expansie-georiënteerde supermacht. De ideologische legitimering van die expansie-praktijk heette vroeger ‘sociaal-darwinisme’. Die term vereist enige toelichting.
Tegenwoordig betekent ‘sociaal’ ongeveer: menslievend, hulpvaardig, solidair, het heeft associaties met christelijke naastenliefde. Maar dat was niet de betekenis toen rond 1880 de term sociaal-darwinisme ontstond. Daar betekent ‘sociaal’ iets anders. Darwin had in zijn hoofdwerk zijn visie op de natuur beschreven voor wat betreft planten en dieren, over mensen zweeg het boek. Maar het was duidelijk dat de natuurwetten ook golden in de menselijke samenleving, in de menselijke ‘society’, vandaar ‘social darwinism’. Het betekent dus: de wetten van de dierenwereld overgeheveld naar de menselijke samenleving. En omdat Darwin de natuur beschreef als strijd, oorlog en competitie, betekende sociaal-darwinisme dat de menselijke samenleving draait om strijd, oorlog en competitie. Vervolgens waaiert de definitie uit in twee richtingen. De eerste richting is de economie.
In de economie eist de sociaal-darwinistische opvatting volledige vrijheid. Ongebreidelde competitie en concurrentie zal leiden tot de survival-of-the-fittest en het sneuvelen van de minder fitten, zoals het hoort in de natuur. Vooral de Engelsman Herbert Spencer verwoordt dit type sociaal-darwinisme. In de jaren 1865-1890 is hij een van de invloedrijkste intellectuelen in Engeland en Amerika, hij krijgt eredoctoraten, in 1902 wordt hij genomineerd voor de Nobelprijs. Zijn boeken verkopen goed in de VS, geheel in Spenceriaanse geest zegt olietycoon John D. Rockefeller: “de groei van een grote onderneming is niets anders dan een survival-of-the-fittest”, en ook staalgigant Andrew Carnegie vindt “de wet van de competitie” belangrijk. Carnegie, woordvoerder van het Amerikaanse kapitalisme, is verzot op Spencer die lijkt aan te tonen dat kapitalisme de meest natuurlijke vorm van gedrag is. In 1882 haalt hij Spencer naar de VS voor een toernee. Het afsluitende banket op 9 november 1882 is een hoogtepunt in het culturele seizoen van New York. In de tafelredes van de vooraanstaande genodigden vloeien rijkelijk de superlatieven over Spencer’s genie.
Naast dit economische sociaal-darwinisme is er een tweede variant: het sociaal-darwinisme dat zich richt op naties en rassen. Het leven is een competitie tussen naties en rassen, het is zaak dat het eigen ras die strijd wint. Een Engelse woordvoerder van deze opvatting is Karl Pearson, vooraanstaand darwinist en tientallen jaren hoogleraar op de ‘Galton Professorship for Eugenics’ aan University College London. Pearson vindt dat buitenlandse politiek vooral moet bestaan uit oorlogvoeren tegen “lower races”. Deze variant van het sociaal-darwinisme verbreidt zich in de eerste decennia van de twintigste eeuw in Duitsland, het wereldbeeld van Adolf Hitler is erdoor gestempeld. Daardoor is de term na de Tweede Wereldoorlog besmet, niemand wil ermee geassocieerd worden. Maar dit naoorlogse taboe op de term sociaal-darwinisme leidt tot een praktisch probleem. Immers, de eerstgenoemde variant, het economische sociaal-darwinisme van Herbert Spencer, moet een nieuwe naam krijgen nu de term sociaal-darwinisme niet meer kan. Die nieuwe naam komt er inderdaad. De Spenceriaanse opvatting dat de economie een vrije en ongeremde concurrentieslag moet zijn, wordt na de oorlog aangeduid met de nieuwe naam ‘het Angelsaksische model’.

Engeland en vooral de VS handhaven na de Tweede Wereldoorlog de vrij ruige economie volgens het Angelsaksische model, met beperkte sociale voorzieningen. De Bondsrepubliek Duitsland besluit het anders te doen: wel marktwerking, maar met een menselijk gezicht, de overheid neemt verantwoordelijkheden. Het model werd ontwikkeld toen de stad Bonn nog de hoofdstad van Duitsland was. Bonn ligt in het Rijnland, vandaar ‘het Rijnlandse model’. Het heeft goed gewerkt, de periode van het Rijnlandse model is de periode van het ‘Wirtschaftswunder’, de jaren ’50, ’60, ’70, ‘80, waarin het verwoeste Duitsland herrijst als de sterkste economie van Europa. De meeste landen van Europa adopteerden het Rijnlandse model, ook Nederland. En zo bestaan de twee modellen min of meer vredig naast elkaar, het Angelsaksische model in de VS en het Rijnlandse model in de EU. Maar rond 1990 gaat er  iets mis.
In 1989 maakt de Russische president Gorbatsjov een einde aan de Koude Oorlog. Een verstandige daad, Gorbatsjow behoort tot de belangrijkste politici van de 20e eeuw. Maar in de VS ziet men zijn daad anders, daar zegt men ongeveer dit: ‘de Sovjet Unie heeft de strijd opgegeven, dus wij hebben de Koude Oorlog gewonnen, dat bewijst dat ons systeem van vrije markt het beste systeem is’. Vanaf die tijd buigt de Europese Unie voor het Angelsaksische model. Nederland start een reeks privatiseringen, menend dat marktwerking zal leiden tot betere dienstverlening en lagere prijzen. Overheidsdiensten gaan in de verkoop: spoorbedrijf, postbedrijf, telefoniebedrijf, gasbedrijf, electriciteitsbedrijf, girodienst (= betalingsverkeer), ziekenfonds (= verzekering), gezondheidszorg, woningbouwcorporaties. Het ministerie van Economische Zaken sticht zelfs een dienst die controleert of bedrijven fel genoeg concurreren: de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa).
De privatiseringsgolf heeft ca. twintig jaar geduurd, van 1990 tot 2010. Ze is in hoofdzaak mislukt, de marktwerking heeft niet geleid tot betere dienstverlening of lagere prijzen. Reden voor de Eerste Kamer om in 2011 de ‘Parlementaire Onderzoekscommissie Privatisering’ te benoemen. Haar rapport (2012) trekt negatieve conclusies: de privatiseringsgolf heeft het bredere publieke belang verwaarloosd en heeft de mens versmald tot klant, aldus de commissie. Dit onbehagen leeft ook in de politiek, het wordt verwoord door de linkse partijen: de PvdA moppert over het Angelsaksische model, en de SP moppert over het ‘neo-liberalisme’, wat ongeveer hetzelfde is. Men wil terug naar het Rijnlandse model.

Taalverdringing

Ook op een ander terrein heeft het Angelsaksische model Europa veroverd. In 1999 ondertekenden de landen van Europa de Bologna-verklaring voor standaardisering van de academische titels. De Engels-Amerikaande titulatuur Bachelor / Master werd de standaard, in Nederland verdwenen daardoor de titels ‘kandidaat’ en ‘doctorandus’. Maar in de praktijk bleef het niet bij deze verwisseling van titels. Het hele onderwijs verengelste. Twintig jaar na de Bologna-verklaring, op 29 maart 2019, publiceerden 186 Nederlandse intellectuelen in De Volkskrant een noodkreet over het feit dat de Engelse taal in toenemende mate de Nederlandse taal verdringt van de universiteiten. Ze wijzen erop dat inmiddels driekwart van de Master-opleidingen uitsluitend in het Engels wordt aangeboden. En de Bachelor-opleidingen gaan dezelfde kant op. Terwijl toch de Wet op het Hoger Onderwijs eist dat universitair onderwijs geschiedt in het Nederlands, tenzij er een gemotiveerde reden is om af te wijken. De universiteiten negeren de wet zonder dat de Onderwijsinspectie ingrijpt. De groep van 186 noemt een tiental redenen waarom deze situatie als ongewenst moet worden beschouwd. Hun onbehagen komt niet uit de lucht vallen, het is de laatste jaren vaker geventileerd. Momenteel is er een wetswijziging in de maak die verdere verengelsing moet tegengaan. De kwestie is op internet te volgen, inclusief de tekst van de Volkskrant-oproep.
De 186 ondertekenaars zijn vooraanstaande cultuurdragers. De helft is hoogleraar, de andere helft is al even deftig. Oud-ministers en vice-premiers, oud-burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam, oud-presidenten van de KNAW, oud-directeuren van NIOD en Rijksmuseum, rechters, uitgevers, hoofdredacteuren, publicisten, televisiemakers, theatermakers en meer. Nu zo’n collectie ego’s zich verenigt om samen een probleem aan te stippen, lijkt er iets aan de hand te zijn. Wanneer de universiteiten Engelstalig worden, lijkt de Nederlandse taal een regionaal dialect te worden, een stukje folklore waarover het Meertens Instituut straks een studie publiceert onder de titel “The Dutch language – a voice from the past”.

Straks is het 5 mei. Bevrijdingsdag. Terecht tonen we op die dag respect voor de Engelse en Amerikaanse oorlogsinspanning en memoreren we het belang van de bevrijding. Maar het lijkt realistisch te beseffen dat ook de bevrijders hun stempel op Europa hebben gedrukt.

.                                                     ############################
.                                                             ####################



augustus 2017 :

Het is augustus 2017. Sinds het verschijnen van het boek (december 2014) had ik weinig tijd voor de promotie ervan. Nu iets meer. De reacties op het boek waren positief, alleen enkele Darwin-bewonderaars waren boos, met name een bioloog Gert Korthof. In mei 2015 schreef hr. Korthof op zijn privé-website twee stukjes erover. Ik zal twee van zijn bezwaren bespreken. Ze staan bij elkaar in de vierde voetnoot van zijn tweede stukje :

  • Ik noemde het boek The Theory of Evolution (1958) van bioloog John Maynard Smith (JMS’58) het hoofdwerk van JMS. Fout, zegt Korthof, het “is niet zijn hoofdwerk”. Korthof vindt The Origins of Life uit 1999 (JMS’99) “veel belangrijker” en “baanbrekend”.
  • In mijn debat met het neo-darwinisme richtte ik me vooral op de woordvoerder ervan, Richard Dawkins. Fout, zegt Korthof, niet Dawkins maar JMS is de centrale figuur van het neo-darwinisme. En hij sluit af met: “Dat ontgaat Munnich allemaal”.

Eerst iets over het eerste bezwaar. In studiejaar 1999-2000 verscheen het Utrechtse Universiteitsblad nog op papier, inclusief een bladzijde huishoudelijke mededelingen gerangschikt op vakgroep. Onder het kopje Biologie las ik dat de leesclub weer zou starten. Het was een club docenten en promovendi van de vakgroep Biologie die elk jaar samen een recent verschenen boek bespraken. Dat jaar viel hun keus op JMS’99. Elke week bijeenkomst over een hoofdstuk, elke deelnemer moest een hoofdstuk inleiden. De coördinators waren Carolien de Kovel en Zoltan Bogdanovits. Ik nam contact op en vroeg: “ik ben geen medewerker van jullie vakgroep, zelfs geen bioloog, maar mag ik als toehoorder achterin zitten? Het interesseert mij als historicus wat tegenwoordig de gespreksstof is onder biologen”. Er kwam toestemming, ik regelde een exemplaar van JMS’99, en zo bezocht ik tien bijeenkomsten waarin dat boek hoofdstuk voor hoofdstuk werd behandeld door promovendi en docenten van de Utrechtse biologie-vakgroep.

Korthof vindt het daar behandelde boekje JMS’99 het hoofdwerk van JMS. Wanneer men die claim oppervlakkig bekijkt zijn er meteen al vraagtekens. Wat is het geval? Er worden in allerlei vakken Nobelprijzen uitgereikt, maar niet in wiskunde. Wiskunde heeft een eigen medaille met soortgelijk prestige, namelijk de Fields Medal, eenmaal per vier jaar uitgereikt aan een wiskundige die dan niet ouder mag zijn dan veertig jaar. Waardoor kon deze medaille voor onder-40-jarigen uitgroeien tot de meest prestigieuze onderscheiding in het vak? Doordat wiskundigen hun topprestaties leveren op jeugdige leeftijd. Voor schakers geldt hetzelfde: ze pieken jong, schakers van veertig zijn al oudjes. JMS komt uit dezelfde wiskundige hoek. Begon met vliegtuigbouwkunde, een zeer wiskundig vak. Zwaaide om naar biologie en benaderde ook dat vak wiskundig. Bij verschijning van zijn boekje JMS’99 was hij echter al tachtig jaar oud, reden om nader te kijken naar Korthof’s claim dat het zijn hoofdwerk is.

JMS is niet de enige auteur van JMS’99. Zijn co-auteur is de Hongaarse bioloog Eörs Szathmáry. Die is in 1999 veertig jaar, JMS tachtig. Uitgevers doen het dikwijls zo: de jonge energieke auteur doet het meeste werk en de ‘éminence grise’ levert vooral zijn naamsbekendheid die de aandacht van collega’s trekt. Bij de Utrechtse leesclub gonsde de reputatie van ‘éminence grise’ JMS al veertig jaar in hun Biologie-faculteit, natuurlijk wilden zij het nieuwe boekje van hun oude meester lezen. Maar waarop berustte die al veertig jaar bestaande reputatie van hun oude meester? Met die vraag belanden we bij zijn boek uit 1958, door mij gekwalificeerd als zijn hoofdwerk.

De beide wereldoorlogen hebben de leidende positie van de Duitse wetenschap onttakeld. De Angelsaksische wetenschap werd dominant, met leidende posities voor de Engelse taal en Engelstalige vakbladen. Ook het vak biologie moest na de Tweede Wereldoorlog omschakelen van Duitse naar Angelsaksische traditie. Zonder veel omhaal werd een Engelsman, namelijk Darwin, aangewezen als de grondlegger van de moderne biologie, de naoorlogse biologen noemden zich navenant het “neo-darwinisme”. In de eerste naoorlogse jaren mist dit neo-darwinisme een eigen boek waarin hun nieuwe orthodoxie overzichtelijk gerangschikt bijeen staat. Die lacune vult JMS in 1958 met zijn boek The Theory of Evolution (correcter zou zijn: The theory of neo-darwinism). Vijftig jaar is het een bestseller. Vijftig jaargangen biologen vinden in JMS’58 de axioma’s en redenaties die in hun vak wenselijk zijn, het is hun canon. In 1958 eerste editie, 1966 tweede editie, 1975 derde editie, elk met vele herdrukken. In 1993 volgt de eervolle Canto-editie. Canto is de reeks waarin Cambridge University Press aan succesvolle publicaties een speciale editie geeft, met een lovend voorwoord door een vooraanstaand vakgenoot, zoals bij jubileum-edities. Weer herdrukken in 1995, 1997, 2000. Dus op het moment dat JMS’99 verschijnt wordt het veertig jaar oudere JMS’58 nog volop herdrukt en verkocht.

JMS’99 verkoopt slecht. In 1999 verschijnt de dure hardcover, voor bibliotheken en instituten. Een jaar later de goedkope softcover voor studenten en anderen; in 2009 een herdruk. Die lage verkoop zou allicht nog lager geweest zijn zonder de bekende naam JMS op de kaft. Het boekje borduurt voort in de denkstijl van JMS’58. Het beschrijft het leven als informatie-overdracht, naar de informatica-mode van die tijd. Kortom, vooral met het boek uit 1958 zet JMS zijn stempel op het collectieve bewustzijn van de biologie, het is de bijbel van de naoorlogse biologen. En ja: in het jaar van verschijning, 1958, is de auteur 38 jaar, de leeftijd waarop zulke wetenschappers gewoonlijk hun creatieve top beleven. Niet op hun tachtigste.

Nu naar Korthof’s tweede bezwaar. Mijn kritiek op het neo-darwinisme trof vooral de woordvoerder ervan, Richard Dawkins. Daarop deed Korthof de debatingtruc “verwissel de poppetjes”: hij zei dat de beschadigde Dawkins een onbelangrijke pion is, en dat John Maynard Smith (JMS) de echte hoofdpersoon van het neo-darwinisme is. Klopt dat? Nee. Toen JMS’58 in 1993 in de Canto-reeks verscheen, zocht de uitgever een vooraanstaand geestverwant om de laudatio te schrijven die als extra voorwoord zou worden opgenomen in die speciale editie. Hij vond de bekendste bioloog van dat moment bereid, namelijk Dawkins. Omgekeerd gebeurde hetzelfde: de bestseller van Dawkins, The Selfish Gene (1976), kreeg na dertig jaar (2006) een jubileum-editie met een extra nawoord door JMS. De twee biologen zijn volledig geestverwant, geen twee wetenschappers zijn zo verliefd op elkaar als RD en JMS. Dawkins beschrijft hoe hij JMS’58 las. Hij was zo onder de indruk van de foto van JMS achterop dat boek, dat hij tijdens het lezen telkens het boek dichtklapte om naar de foto te kijken: “I kept peeping at the back cover as I read, then returned to the text with a smile”. De twee geestverwanten hebben een taakverdeling binnen het neo-darwinisme. JMS schrijft in vrij technisch jargon voor vakgenoten, terwijl RD het neo-darwinisme verwoordt in taal die ook niet-biologen bereikt. Deze functie van RD is vergelijkbaar met de persofficier bij het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie gebruikt juridisch vakjargon. Voor het contact met het publiek hebben de gezamenlijke Officieren-van-Justitie één collega als pers-Officier, met mediatraining en met een taal die begrijpelijk is voor niet-juristen. De persofficier is hun spreekbuis. Zo’n spreekbuis is Dawkins voor het neo-darwinisme. Zijn professoraat is geen research-post maar de “professorship for the public understanding of science”. Hij is de publieke vertegenwoordiger van het neo-darwinisme. Dertig jaar lang is hij de mondiale woordvoerder van het neo-darwinisme. Kortom, bioloog Richard Dawkins was de juiste opponent.

Tot slot iets over Korthof’s motief achter beide bezwaren. Het lijken (bewuste of onbewuste) pogingen het debat te verslepen van mijn historische terrein naar zijn eigen technisch-biologische terrein, waar hij zich zekerder voelt en waar hij historici kan kwalificeren als onbevoegd, hij schrijft: “Munnich is historicus, geen bioloog”. Daarmee komt de kern van het probleem naderbij. Het woord biologie betekent ‘wetenschap van het leven’. Die ruime definitie suggereert dat alle levenskwesties onder supervisie van de bioloog vallen. De werkelijkheid is anders. De biologie beheerst enkele aspecten van het leven. Andere vakken beheersen andere aspecten van het leven: antropologie, sociologie, psychologie, pedagogie, economie, rechtswetenschap, al die vakken onderzoeken aspecten van het leven. En ook historici onderzoeken uitsluitend het leven. Mijn boek bespreekt enkele opvattingen over het leven, inclusief hun culturele en politieke consequenties.

Het is het topje van de ijsberg. Om het verwarde en agressieve gehalte van Korthof’s twee stukjes te zien, kan men ze beter even bekijken. Ze staan op zijn blog-website op de datums 4 en 25 mei 2015.